vrijdag 29 april 2011

Uit eigen werk: Feuilleton 3, deel 4

Ik genoot niet van de wijn. Het brood verdween in mijn mond alsof ik gedachteloos een ketting van steentjes reeg. Tussen mij en de andere mensen hing een vlies dat mij lucht ontzegde, waardoor ik zonder energie, bijna slapend, op mijn kruk zat. Er moet lawaai zijn geweest, gelet op de rondrennende jongens. Hun voetbal lag verderop in het gras, ze waren tikkertje aan het doen. Mijn maat zat met zijn meisje op schoot, een glas wijn in zijn hand, te praten met, waarschijnlijk, de enige grijsaard van het gehucht.
Het was uren geleden al donker geworden. Ze hadden in de schemering een groot vuur gemaakt, links van mij, en sindsdien aten, dronken en praatten ze.
Ik moest het hier maar even zien uit te houden. Gekkenwerk was het geweest, in één dag door de woestijn te rijden. Had hij niet een omweg kunnen nemen? Hij leek wel in iemand anders te zijn veranderd. De stropop die vanmiddag de jeep had bestuurd, had plaatsgemaakt voor een pratende, zoenende, lachende man. Hadden wij uren over een dodenrivier van zand gereden, met grote schedels als waarschuwing voor de onherbergzame route die we hadden gekozen? Nu was omkeren onmogelijk. Waar ik was, bleek niets te beleven. De mensen hier hadden geen communicatiemiddelen. Mijn horloge bleek een onbegrepen bijzonderheid te zijn. Ik moest hier zijn, zei mijn reisgenoot. Hij kwam me halen, vroeg een bijdrage voor de benzine, en reed me hier naartoe. Hij vermaakt zich hier wel, zo te zien. Hij heeft het met die vrouw gedaan en kijkt haar aan alsof hij zich moet inhouden om haar ter plekke de kleren van haar lijf te scheuren, haar grote borsten in zijn handen te houden en in haar te stoten met zijn stijve mannelijkheid. Hij voelt zich hier thuis.
Ik wacht op wat komt. Of niet komt. Zonder communicatie zal niemand van mij horen. Leef je dan nog wel, vroeg ik me af. Maar ik was te moe om na te denken.
Naast me was een meisje komen zitten. Ze nam mijn rechterhand, ik liet het toe. Ze zoende mijn wijsvinger en legde haar hoofd op mijn bovenarm. Ik dronk even smakeloos van het volgende glas wijn. Niemand zou ervan weten. Voor niemand zat ik hier, alleen voor mijzelf, en wat ik haar geschreven had. Ik keek op mijn horloge. Het was vijf voor twaalf.

Einde

donderdag 28 april 2011

Interview met Herman Brusselmans

Een paar jaar geleden mocht ik Herman Brusselmans, door een mooie speling van het lot, voor een publiek interviewen in de bibliotheek Nieuwegein. Hij zou een uur lang vragen van het publiek moeten beantwoorden en dat wilde hij niet. Ik begreep dat volkomen en bood mijzelf aan als interviewer.
Toen we na drie kwartier het publiek alsnog vragen lieten stellen, bevestigden de vragenstellers ongewild de reden van mijn interview. ‘Wat vindt u uw beste boek?’, ‘Wat vindt u uw slechtste boek?’ en ‘Hoe spreek ik de naam van dat hoofdpersonage uit?’ – en de avond van Herman Brusselmans zat er alweer op.
Onlangs verscheen weer een nieuwe roman van Herman Brusselmans, Van drie tot zes. En wederom had ik de eer hem te mogen interviewen. Niet voor publiek, dit keer, maar voor de Boekenkrant.

woensdag 27 april 2011

Uit eigen werk: Het begint met woorden

Voor J.S.

Je verzon je geboorte, maar
dat deed je niet zelf.
Het eerste woord was al gereed:
je naam, een onzichtbare vingerafdruk.

Jou werd niets gevraagd.

Alles waar je ogen en handen
op legde, kreeg een naam -
maar niet van jou. Alsof je
te gast bent in een vreemd huis.

Je woorden komen van buiten.
Je hebt niets te zeggen.
Je mond is woordeloos gesnoerd.
Je bent gevangene van vier handen.
Je huilt tandeloos
om zoveel onrechtvaardigheid.

dinsdag 26 april 2011

Interview met Sabine en Judith van Vugt

Waar denkt u aan bij “Colombia”?

Precies… inderdaad… zeer juist… helemaal! Ik ook, hoor, dat geeft niets.

Maar Sabine en Judith van Vugt niet. Zij reisden wekenlang, maandenlang, door Colombia. Ze waren bezig aan een boek dat in Colombia moest spelen en Judith was er al eens geweest. Vandaar. Het werd wellicht iets wat lijkt op een backpack-reis, maar dan heel intensief en op plekken waar de meeste backpackers al lang zouden zijn afgehaakt. De Van Vugt-bikkels zetten door. Hun boek moest af. En het land was zo fascinerend.
Zowaar, ze wisten mij te prikkelen om ook eens naar Colombia te gaan. Ooit. Eerst is er hun boek, Colombiaans carnaval, en het interview dat ik met hen had voor de Boekenkrant.

maandag 25 april 2011

Uit eigen werk: Ganzenbord

Dit gedicht is een gezellig spel ganzenbord!
Gooi vier voor de volgende gans.

Was het maar zo makkelijk om de dagen van regen
met een hand vol ogen te omzeilen.
Of vind jij het fijn om op de fiets kletsnat te regenen?
Je staat voor het rode licht.
Was het maar zo makkelijk om verkeerslichten
met ganzen te omzeilen.

Gooi drie voor de put.

Soms doe je alsof je me uit de lucht hebt
weg geregend.
Alsof ik het tikken ben van het verkeerslicht.
‘Dat is voor doven, schat!’
‘Ik hoor je niet.’
Was het maar zo makkelijk om irritante zinnen
weg te knippen.

Gooi twee voor de volgende gans.

Hoe meer ogen je naar me gooit,
Hoe minder ik vooruit kom.
Straffeloos knip je mijn zinnen weg.
Ik heb zin om jouw pion te slaan.
Dan doe ik alsof ik je niet heb gehoord.

Gooi één om helemaal opnieuw te beginnen.

‘Dat is het tikken van de dobbelstenen, schat!’
‘Ik hoor je niet.’

donderdag 21 april 2011

Interview met Jessica de Jong

O jee, dacht ik toen ik van het boek van journaliste Jessica de Jong vernam. Vrouwendiscriminatie. Wil ik daar mijn tijd en energie aan besteden?
Ja dus. De Jong onderzocht in haar boek Vrouwen zijn gelijk aan mannen, behalve in de directiekamer de promotiekansen van vrouwen en kwam erachter dat er nog altijd, of opnieuw, sprake is van structurele discriminatie van vrouwen. Onbewust, natuurlijk, anders was het al lang breed uitgemeten. Het is altijd goed om jezelf en elkaar even wakker te schudden. Want ooit liep Nederland voorop in het gelijkstellen van vrouwen aan mannen. Maar die koppositie maakt tevreden, en door tevredenheid verlies je scherpte. Bovendien verlegden we onze aandacht naar homo’s, allochtonen, bejaarden, dure huizenprijzen, en later nog naar omvallende banken. O ja, vrouwen zijn nog steeds gelijk aan mannen. Toch? De Jong toont aan dat dit niet (meer) klopt. Tijd om er wat aan te doen.
En ik heb mijn steentje bijgedragen, hoor. Als er ooit nog rellen komen, ben ik goed geweest. Waarom? Ik heb Jessica de Jong geïnterviewd voor de Boekenkrant. Daarom!

woensdag 20 april 2011

Interview met Antje Visser

Van tevoren leek het mij een risico, een roman over de multiculturele samenleving. Zeker als het je debuut is en je nog jong bent. Maar die eerste indruk van de roman De vrijwilligster bleek niet te kloppen. Zo gaat het wel vaker met vooroordelen. Schrijfster Antje Visser schreef een boek over vriendschap. Een scheve verhouding tussen een Turkse en een Nederlandse vrouw, die de Turkse Nederlandse les geeft. Ja, het speelt in het Nederland van nu, of liever van 2006, toen de moord op Theo van Gogh nog enigszins meespeelde in het “debat”, en toen Geert Wilders zijn meest idiote uitspraken nog moest doen.
Wilde ze iets toevoegen aan dat “debat”, met een roman? ‘Nee,’ zei ze, ‘anders had ik wel een betoog geschreven.’ Genoeg schrijvers zullen het met haar oneens zijn (die menen immers dat je juist met fictie uitstekend een bepaald statement kunt maken) maar Visser wil dat dus niet, ze wil ontroeren met een mooi boek. En dat is haar gelukt. Anders had u dit stukje niet gelezen, en ook het interview niet, dat ik voor de Boekenkrant schreef. Zo lopen die dingen.